De taalcode van de bevestiging

door H. Van Uffelen

“De taal is het huis van het zijn”, zegt Martin Heidegger in Sein und Zeit. Het huis van Dr. Anna Terruwe is het huis van de taal van de bevestiging. Een taal waarin niet de auteur en zijn persoonlijke er­varingswereld, maar de andere, de lezer en zijn zelfwaarde centraal staan. In haar werk zoekt Dr. Anna Terruwe het contact met haar lezers. Dit gebeurt uiteraard minder in haar theoretische werken, waarin de wetenschappelijke uiteenzetting en de problematisering van haar leer op de voorgrond staan. Alhoewel Dr. Anna Terruwe ook in deze werken haar bevestigende levenshouding – o.a. in de opdrachten, de wij-vorm, de anekdoten, de vele vragen enz. -, steeds weer laat blijken, spreekt in deze boeken toch in eerste in­stantie de psychiater vanuit het standpunt van de wetenschapper. In haar theoretische werken neemt Dr. Anna Terruwe haar lezers bij de hand en leidt ze door de wereld van de frustratieneurose, het hu­welijk, en de geloofsproblematiek, om maar enkele aspecten te noemen.

Teksten als Geef mij je hand… en Ouders en kinderen op weg naar de toekomst zijn vanuit een opvallend ander perspectief geschreven. In deze teksten verlaat Dr. Anna Terruwe het ietwat afstandelijke standpunt van de wetenschapper. Ze gebruikt een taalcode die beroep doet op de andere, zijn leven, zijn oordeel en zijn zelfwaarde. Ze schrijft naar de andere toe. Ze nodigt hem uit het gesprek samen met haar te openen en aan de verwezenlijking van het boek deel te nemen. Dit betekent geenszins dat ze zich aan de lezer overgeeft,

want tegelijkertijd stelt zij zich als mens, auteur en psychiater zo au­thentiek en zuiver op, dat de lezer haar in haar zelfwaarde moét her­kennen. Om dit samenspel van toenadering zonder totale overgave te kunnen verwezenlijken heeft Dr. Anna Terruwe een taalcode ontwikkeld die ik, omdat ze de wezenlijke kenmerken van de leer van de bevestiging vertoont, de taalcode van de bevestiging zou willen noemen. Aan de hand van een van haar mooiste boeken: Geef mij je hand… zou ik dit willen verduidelijken.

De uitnodiging ligt al in de titel besloten: Geef mij je hand… De auteur stelt zich open voor de lezer en nodigt hem uit samen met haar de wereld van de bevestiging te ontdekken. De titel is echter ook méér dan een uitnodiging van de auteur aan de onbekende le­zer. Dr. Anna Terruwe komt de lezer ook tegemoet. Met de titel ‘geef mij je hand’ maakt ze duidelijk dat ze de lezer in zijn zelfwaarde wil erkennen. Dr. Anna Terruwe geeft de lezer de hand als blijk van respect. Reeds de titel suggereert dat de samenwerking van zich wederzijds bevestigende en respecterende individuen de basis voor een goede lectuur van het boek vormt, In dit verband zou ik ter­loops willen wijzen op de prachtige titel van een ander boek: Ouders en kinderen op weg naar de toekomst. Ook deze titel suggereert het be­lang van het gericht zijn op de andere en het samenwerken niet de andere, zonder zichzelf en zijn eigen identiteit op te geven. Anders is er geen weg, geen toekomst mogelijk. Ouders aan de ene kant en kinderen aan die andere kant kunnen alleen op weg zijn als de één de andere ook geeft wat hem toe-komt. Zoals de auteur en de lezer in Geef mij je hand… groeien ouders en kinderen naar elkaar en naar de toekomst door de bevestiging.

De bevestiging van de andere, de lezer, is de kern van de eerste zinnen uit Geef mij je hand… De uiteenzetting heeft “ondersteuning en uitgroei gekregen door contacten met zeer velen in binnen- en buitenland” (1). Daarna verkent Dr. Anna Terruwe samen met de le­zer gemeenschappelijk terrein. Eerst beschrijft ze de positieve ont­wikkeling van de mensheid in het verleden, die o. a. door de natuur­wetenschappen mogelijk werd. Ze beklemtoont de verruiming van het waarnemingsveld en het menselijk kennen die daardoor moge­lijk werden. Na deze bilan, wijst ze erop dat de mensheid daardoor alleen het volkomen geluk niet heeft kunnen bereiken. Hiermee heeft Dr. Anna Terruwe de ‘vaste bodem’ (2) bereikt waarop het ge­sprek zich zal kunnen afspelen. Daarop kan iedere lezer ja zeggen: hij kan zich verder openen voor de uiteenzetting van de auteur.

Dit geruststellen van de lezer is een klassiek procédé. Dr. Anna Terruwe wil de lezer echter niet inpalmen. Terwijl ze naderbij komt, gemeenschappelijk terrein verkent, houdt ze ook afstand. Dat betekent helemaal niet dat Dr. Anna Terruwe de lezer op af­stand houdt. Niets is minder waar! Geef mij je hand… is een ‘roep’ (3). Het is een appel aan de lezer en aan alle mensen. Het appel van Dr. Anna Terruwe gaat uit van een duidelijk, oorspronkelijk standpunt van de auteur en verlangt een even oorspronkelijke reactie van de lezer. Dr. Anna Terruwe gaat naar de lezer toe, bevestigt hem en zorgt ervoor dat deze één met haar kan worden, zonder zich in deze eenheid te verliezen. Hiermee is de basis voor de taalcode van de be­vestiging gelegd.

In zijn boek Qu’ est-ce que la littérature? (Paris, 1969) heeft de exis­tentialist J. P. Sartre het appelkarakter van de literatuur uitvoerig beschreven. In dit boek maakt J. P. Sartre duidelijk, dat de mens die besloten heeft om te spreken het moet doen ‘comme un homme’ (4). Hij moet tonen, dat dat wat hij vertelt niet een of ander willekeurig verzinsel is, maar het resultaat van zijn persoonlijke omgang met de wereld waarin hij leeft. Hij moet de verantwoordelijkheid voor zijn uitspraken dragen: respons-abel zijn, zich in staat tonen te antwoor­den. Dat is volgens Sartre de voorwaarde voor een literatuur die eindpunt en begin wil zijn, voor een literatuur die wil blijven spre­ken. Eerst dan kan de auteur met een gerust geweten: “à la fois dé­voiler le monde et le proposer comme une tâche à la générosité du lecteur” (5).

De verplichting van de auteur tot verantwoordelijkheid en au­thenticiteit is dus niet alleen de basis van de taalcode van de existen­tialist. De leer van de bevestiging en het existentialisme hebben wat dit betreft wezenlijke, gemeenschappelijke kenmerken. Toch liggen, zoals Dr. Anna Terruwe terecht steeds weer beklemtoont, het existentialisme en de leer van de bevestiging ver uit elkaar. De the­orie van het existentialisme is uitdrukking van een verlangen naar oorspronkelijkheid. Ze is ontstaan uit de behoefte van de existenti­alisten zich aan de wereld van het ‘men’, de oppervlakkigheid en de onpersoonlijkheid te onttrekken. De existentialist streeft naar de eigen authentische identiteit, en distantieert zich daarom van de an­deren, het ‘men’. Op weg naar zichzelf sluit hij zich dus eerst af. Daarom zegt Sartre: “L’enfer c’est les autres”. Toch verliest het oorspronkelijk, authentiek levende individu niet het contact met de anderen. Door zijn verantwoorde levenshouding doorbreekt het individu de vanzelfsprekendheid van het leven in de massa, en moet om niet opnieuw in oppervlakkigheid te vervallen, beroep doen op de authenticiteit van de anderen. Ook het existentialisme heeft de andere nodig om het echte, oorspronkelijke zijn te bereiken: het zijn-niet-de-anderen.

Het wezenlijke verschil tussen de leer van Dr. Anna Terruwe en de leer van het existentialisme is dat de eerste in eerste instantie posi­tief, en de tweede negatief georiënteerd is. Het existentialisme is ge­kenmerkt door een afkeer van, de leer van de bevestiging steunt op de toenadering. In de wereld van het existentialisme staat het ont­sluieren, de leegte, het tonen van het absurde van het bestaan centraal. Dr. Anna Terruwe legt de nadruk op “de wezenlijke verbon­denheid van mens tot mens, die alleen kan worden opgeroepen tot levende werkelijkheid door het wonder, dat bevestiging is” (6) . De existentialistisch georiënteerde auteur stelt de onzekerheid tegen­over de schijnbare zekerheid van het ‘men’. De angst is bij hem een belangrijke factor. Hij confronteert zijn lezers reet de angst voor het niets, in (ie hoop dat ze als reactie op deze angst voor de authentici­teit zullen kiezen. De angst die Dr. Anna Terruwe beschrijft is niet de angst voor het niets, maar de angst voor het mislukken, voor het onvermogen als een van de wezenlijke kenmerken van de frustratie. Voor haar is de angst niet liet middel bij uitstek om tot authenticiteit te kunnen komen. In de leer van de bevestiging staat niet de angst maar de liefde centraal. Een begrip dat in het existentialisme zo goed als onbekend is. Dr. Anna Terruwe beschrijft de liefde als het afgestemd zijn op de andere zonder zichzelf te verliezen. Ook daar is moed voor nodig! Evenveel moed als voor de existentialistische confrontatie niet het niets. Tenslotte moet men ook bij de weer­houdende liefde voor zichzelf vaststellen wie neen is, wat men wil, kortom waar men staat en dit standpunt ook tegenover de andere verantwoorden. Dat is het meest wezenlijke verschil tussen de leer van de bevestiging en het existentialisme. De bevestigende mens moet niet eerst volledig eenzaam worden om zichzelf te leren ken­nen en om de authenticiteit en de oorspronkelijkheid te bereiken. Dr. Anna Terruwe maakt duidelijk dat het herkennen en bevesti­gen van de andere het individu opent en het ontvankelijk maakt voor de bevestiging, zodat het zijn eigen authenticiteit, zijn zelf­waarde kan ontdekken. Het existentialisme is ik-georiënteerd, bij de bevestiging staat de andere, de medemens in het centrum, zon­ der dat de ik zich daarbij opgeeft. Tussen het appel aan de authenti­citeit van de andere in de taalcode van de existentialist en het appel aan de authenticiteit van de andere door toenadering en bevestiging in de taalcode van de bevestiging bestaat er een principieel verschil.

De eenvoudige, vertellende structuur van Geef mij je hand… is be­palend voor het bevestigend karakter van het boek. Op een heel be­perkt aantal pagina’s vertelt Dr. Anna Terruwe een heel lang ver­haal: ze beschrijft de ontdekking van de neurose en de frustratie­neurose, en de leer van de bevestiging. Door zijn fragmentarische structuur blijft het verhaal echter altijd open. Op deze manier appelleert Dr. Anna Terruwe aan de lezer het verhaal te vervolledi­gen, het aan te vullen. De lezer wordt in zijn zelfwaarde als lezer en als mens bevestigd. Tegelijkertijd geeft Dr. Anna Terruwe hem de gelegenheid zelf te bevestigen. De lezer leest niet alleen over de be­vestiging, hij zet zelfeerste stappen op de weg naar de bevestiging. Hij opent zich, zodat de samenwerking auteur-lezer zich volledig kan ontplooien.

Het fantasievermogen van de lezer speelt daarbij een belangrijke rol. Niet onze alles overdekkende fantasie, die vooral gebruikt wordt in verdringingsprocessen. Ook niet alleen de fantasie die ik functionele fantasie zou willen noemen en die wij gebruiken om ons iedere dag in nieuwe situaties in te leven. Met dit vermogen probe­ren wij, in functie van bepaalde ervaringspatronen uit het verleden, greep te krijgen op nieuwe leefsituaties. Het is maar goed dat wij over een dergelijk fantasievermogen beschikken, anders zouden wij op ieder moment volledig opnieuw moeten beginnen. Onze functionele fantasie vermijdt verrassingen, verhindert echter ook dat we iets nieuws ontdekken, dat wij ons verwonderen. Om dit mogelijk te maken moet men zich open-, zich creatief opstellen. Om iets nieuws te leren kennen moeten wij ons volkomen her­oriënteren, gebruik maken van onze niet-functionele, ontdekkende fantasie.

Dr. Anna Terruwe doet zowel beroep op de functionele als op de niet-functionele fantasie. Vermits de bevestiging een terrein is, dat de meeste lezers niet kennen, leidt en begeleidt ze hen een hele tijd. Dat is de functie van de rode draad in Geef mij je hand… De auteur geeft de lezer de gelegenheid zich thuis te voelen, dingen te herken­nen. Dan echter trekt ze zich terug en confronteert de lezer met zichzelf, zoals in het volgende voorbeeld:

“Onze ogen zijn nu wel aan het opengaan voor de werkelijk­heid, dat materiële en wetenschappelijke overvloed van heb­ben en weten geen garantie is voor menselijk welzijn […]. Ik sta op vaste bodem als ik hier stel, dat in alle gelukschenkende en verruimende levensmogelijkheden de andere mens pri­mair is; – en dat een nieuw hoogtepunt van de evolutie nabij is en niet haar ondergang, als tenminste door de kunstenaars in het weten en door de kunstenaars in liet leven zelf overwogen zal worden, dat de voortreffelijkheid van liet menselijk geluk­kig zijn slechts is: de voortreffelijkheid van de liefde. Daarom zou ik willen stellen dat de voortreffelijkheid van de liefde is: de eenheidservaring, het totaal afgestemd zijn van de ene mens op de andere mens en ieder toch zichzelf blijvend. Dit is een eeuwenoude waarheid, die echter vanuit de menswetenschap­pen nu kan worden aangereikt op een geheel nieuwe wijze als onuitputtelijk gegeven, dat ik ‘bevestiging’ genoemd heb”.’

Dit lange citaat staat helemaal vooraan in het boek. Het begint met een toenadering. Dr. Anna Terruwe maakt de situatie herken­baar. Ze doet beroep op de functionele fantasie van de lezer. Dan wordt ze toenemend duidelijker. Ze spreekt steeds meer voor zich­zelf. De afstand auteur-lezer wordt steeds groter tot op het moment dat ze zegt: ‘de voortreffelijkheid van de liefde’. Op deze zin rust het hele gewicht van de lange inleiding en hij staat als een zuil tegenover de lezer. De zuil van een gebouw dat hij nog niet kent. Deze con­frontatie verplicht hem zich opnieuw te oriënteren. De lezer moet een eigen standpunt innemen om de waarde van de nu volgende de­finitie van liefde te kunnen beoordelen. Hij moet gebruik maken van zijn niet-functionele fantasie als creatief en kritisch vermogen. Hij moet zich openen, ruimte maken voor de verwondering, die, zoals Aristoteles zegt, de basis is van alle kennis.

De persoonlijke stellingname van Dr. Anna Terruwe verplicht niet alleen de lezer zelf een eigen standpunt in te nemen, ze vermijdt ook dat de lezer met zijn functionele fantasie de open plekken sluit. Als lezer kiest men namelijk altijd eerst voor de makkelijkste weg en probeert het probleem in een bekend ervaringspatroon te passen. Men probeert de onbekende, nieuwe situatie, die ontstaan is door de confrontatie riet liet boek te reduceren tot iets bekends. Daarom is het belangrijk dat Dr. Anna Terruwe steeds weer haar standpunt duidelijk maakt, voet bij stuk houdt, want daardoor geeft zij de le­zer de gelegenheid zich te openen voor iets nieuws. Bevestiging verlangt authenticiteit! Dr. Anna Terruwe versterkt dit effect door tegenover de lezer geen gebiedende of verbiedende wijs te gebrui­ken. Ze zegt alleen maar in verband niet zichzelf dat iets moet, zoals in: ‘dat de psychiatrie de straat op moet’. Echter als de lezer ergens bij betrokken is, wordt er in de mededelende wijs gesproken en als er echt mogen of niet-mogen bij te pas moet komen, spreekt Dr. Anna Terruwe van ‘wij mogen’ of ‘ik mag’ iets wel of niet doen. Deze manier van schrijven bevordert de niet-functionele leeshou­ding bij de lezer. Hij mag voor zichzelf beslissen of iets moet of niet moet. Op die manier vermijdt Dr. Anna Terruwe bovendien dat de lezer zich volkomen aan haar overgeeft. De lezer kan niet zijn func­tionele fantasie namelijk niet alleen de open plekken dichtgooien, hij kan ze ook gewoon niet laten ontstaan door zich volkomen op de zijde van de auteur te stellen, zich als het ware op te geven. Dan komt het niet tot een conflict maar ook niet tot een inzicht, want de lezer blijft uiteindelijk gesloten.

Het geloof in de macht van het subject is sinds de renaissance al­leen maar toegenomen. Wij geloven nog steeds meer in het indivi­du dan in de groep. Onze intermenselijke relaties worden door deze georiënteerdheid op het subject bepaald. Dr. Anna Terruwe spreekt in dit verband terecht van ‘gekeerdheid naar zichzelf 8. Na­tuurlijk heeft deze ik-georiënteerdheid ook zin. Iedereen mag en moet zelfs zijn principes en overtuigingen hebben, anders regeert de willekeur! Maar hoe vaak wordt een gesprek niet uitsluitend be­paald door de verkeerde instelling dat de andere mij eerst moet overtuigen? Deze ik-gerichte houding is een gesloten houding! Ook principes moeten open gebruikt worden. Toch laten wij ons

vaak leiden door een foute radicaliteit, volgens het motto: ‘zo en niet anders!’. Op zo’n moment vergeten wij echter dat principes slechts zinvol zijn als ze het contact met hun basis-de gemeenschap niet de anderen, waarin principes slechts zin kunnen hebben -, niet verliezen. Radicaal zijn betekent: rekening houden met de wortels van het menselijke zijn, met het feit dat het zijn in wezen samen-zijn is. Deze wortels bepalen met grote zekerheid ook de principes van de andere, zodat men – zonder gevaar te lopen zijn eigen identiteit te verliezen – zijn principes ter discussie kan stellen.

De georiënteerdheid op het eigen ik bepaalt ook onze taal. Al lang hebben wij bepaalde woorden niet bepaalde betekenissen ver­bonden. Ook abstracte woorden. Hoe vaak vergeten wij niet dat dat voor de andere ook zo is? Moderne filosofen als Jacques Derrida zijn storm gelopen tegen deze hoogmoed van het subject. Ze heb­ben duidelijk gemaakt, dat de betekenis van een woord ontstaat in de context met de andere woorden. Ze wijzen erop dat de taal ouder is dan de moderne mens, en gaan zelfs zo ver te beweren dat niet meer de mens de taal, maar de taal de mens spreekt. Dat is uiteraard een erg extreme stelling, maar door te wijzen op het belang van de context en de anderen hij de betekenisvorming hebben de moderne taalfilosofen op zijn minst de beperktheid van de eenzijdig door het subject bepaalde betekenis duidelijk gemaakt.

De taal van de bevestiging doorbreekt de traditionele ik­georiën-teerde houding radicaal. Ze stelt de andere, het relationele centraal. Ik geloof wel dat de dag van vandaag iedereen weet dat hij bevesti­ging nodig heeft, maar wie associeert bevestiging in eerste instantie niet de andere? Daarom zorgen wij ook voor onze eigen bevestiging. Bij Dr. Anna Terruwe daarentegen is liet wezen van de beves­tiging de oriëntering op de andere, de open levenshouding. Zij toont dat de alombekende zelfbevestiging een uitgesproken op zichzelf gekeerde levenshouding is. De taal van Dr. Anna Terruwe – de woorden die ze kiest – openen de lezer. Het gebruik van liet woord ‘goed’ maakt wat dit betreft het een en ander duidelijk. Dr. Anna Terruwe spreekt steeds overliet goede’ of’ een goed’. ‘Goed’ blijft een categorie. Ook in de intermenselijke relatie, zoals blijkt uit de volgende citaten: “Het proces waarbij de ander mij aan mijzelf onthult als goed en waardoor hij aan mij wordt onthuld als goed”`’ of “de bewustwording van de goedheidsrelatie” (10) enz. Ze spreekt niet in zinnen als: `Als ik goed voor jou ben en jij goed voor mij bent’ of iets dergelijks, want in deze zinnen staat het subject niet al­leen centraal; het bepaalt ook zelf wat goed is, onafhankelijk van de andere. In de goedheidsrelatie die Dr. Anna Terruwe in haar leer van de bevestiging beschrijft staat het goede in het midden. Het is een categorie die door de twee subjecten bepaald wordt, die haar waarde en inhoud krijgt in en door de relatie. In de mate dat deze re­latie groeit krijgt het begrip ‘goed’ ook meer inhoud, want in de be­vestigende relatie stijgt het begrip van eigenwaarde en daarmee ook de inhoud die men aan ‘het goede’ kan verlenen.

Polariteit, als de samenstellende eenheid die twee mensen, twee polen, kunnen vormen die elkaar bevestigen staat niet alleen in de leer maar ook in de taalcode van de bevestiging centraal (11). Eerst als ik de ander in zijn zijn bevestig als goed, sta ik ook open voor zijn taal, voor de inhoud van zijn woorden. Het categoriale taalgebruik van Dr. Anna Terruwe leeft alleen in een relatie die door polariteit gekenmerkt is. Slechts in een dergelijke relatie kunnen haar woor­den leven schenken, verwondering oproepen, inzicht brengen. In de gesloten relatie, die door ik-georiënteerdheid en zelfbevestiging gekenmerkt is, is dit leven schenken, deze verwondering en dit in­zicht niet mogelijk. In deze relatie, die niet door polariteit maar door polarisatie gekenmerkt is, staat niets in liet midden. Beide par­tijen proberen zoveel mogelijk gelijk te krijgen en dat gaat automa­tisch gepaard niet zelfbevestiging en ontkenning. Dit proces heeft

Dr. Anna Terruwe in Ouders en kinderen op weg naar de toekomst uit­voerig beschreven.

In dit verband moet ik eveneens wijzen op het belang van liet af­fectieve, gevoelsmatige taalgebruik in Geef mij je hand… Vooral hiermee maakt Dr. Anna Terruwe duidelijk dat zij zich niet opstelt als ‘alles beter wetende wetenschapper’, maar als mens, als mede­mens, die de lezer uitnodigt haar te volgen op de weg van de beves­tiging. De lezer die deze uitnodiging niet aanneemt omdat hij ze niet herkent of omdat hij ze niet wil aannemen, polariseert de leessi­tuatie. Aangezien hij zich niet opent voor de auteur en voor liet ge­sprek, omdat hij op zoek is naar elementen waarmee hij zichzelf kan bevestigen, reageert hij snel agressief op de categoriaal klinkende uitspraken van Dr. Anna Terruwe. Hij vindt dat ze te weinig reke­ning houden niet zijn opvattingen, dat ze niet relatief genoeg zijn. Door zijn op zichzelf gerichte leeshouding, ziet deze lezer niet dat de categorieën nog met betekenis gevuld mogen worden en zal dan ook met ontkenning reageren. Ondanks de bevestigende taalcode van Geef mij je hand… ontstaat polarisatie als de lezer zich niet opent.

In Geef mij je hand… geeft Dr. Anna Terruwe een mooi voorbeeld van dit facet van de taalcode van de bevestiging. Ik denk aan het ver­haal van de man die vertelt dat hij als 6 jarig jongetje op straat speel­de en geslagen werd. Als hij daarop huilend thuiskomt, reageert zijn moeder met de vraag: ‘heb je verdriet Keesje?’. De moeder heeft niet meer nodig dan deze eenvoudige zin om haar kind in zijn verdriet te bevestigen. Door de van-zelf-sprekendheid van de vraag toont ze haar kind dat ze in hem, en de echtheid van zijn verdriet ge­looft. Ze geeft het het nodige zelfvertrouwen om zijn verdriet te ui­ten en te verwerken. Door haar vraag schept de moeder de ruimte voor een gesprek, dat ze door een voor de hand liggende ‘verstandi­ge’ opmerking of door een terechtwijzing onmogelijk zou gemaakt hebben. Gelukkig begrijpt Keesje het antwoord. Een gesloten kind zou het antwoord van deze moeder wel eens als cynische reactie op zijn verdriet kunnen interpreteren. Dit had de gesprekssituatie ge­polariseerd. In dat geval was een ander, eerder weerhoudend, ant­woord aangewezen geweest om polariteit mogelijk te maken.

De taalcode van Dr. Anna Terruwe is de verwoording van haar leer van de bevestiging. Ook in haar taal maakt Dr. Anna Terruwe duidelijk dat bevestigen niet alleen betekent: het goede en het scho­ne in de andere herkennen en erkennen. Bevestigen betekent tege­lijkertijd onze houding tegenover de andere, ook in de taal, aan dit zelf aanpassen. Bevestigen veronderstelt authenticiteit en volledi­ge, onbaatzuchtige inzet van de eigen persoon. In Geef mij je hand… heeft Dr. Anna Terruwe bewust gekozen voor de eenvoud, de be­grijpelijkheid, zonder simpel of oppervlakkig te worden. Dit is na­tuurlijk het resultaat van haar overtuiging dat de psychiatrie de straat op moet, maar vooral uitdrukking van haar geloof in de leer van de bevestiging zelf. In haar boeken zoekt Dr. Anna Terruwe het contact met haar lezers. Ze laat blijken dat ze hen nodig heeft om het tij te keren en ze maakt consequent gebruik van een taalcode die de lezer opent en hem uitnodigt eerste stappen te zetten op de weg naar een nieuwe toekomst, die van de bevestiging.

Noten
Dr. A.A.A. Terruwe: Geef mij je hand… Lochem, 1973, p. 7 (Later aangehaald als Hand)
Hand: p. 9.
Hand: p. 12.
J.P. Sartre: Qu´est-ce aue la literature. Paris, 1948, p. 31. (Later aangehaald als Littérature)
Littérature: p. 76.
Hand: p. 12.
Hand: p. 9.
Hand: p. 26.
Hand: p. 26:
Hand: p. 27.
Voor het verschil tussen polariteit en polarisatie zie o.a.: Dr. A.A.A. Terruwe: Ouders en kinderen op weg naar de toekomst. Lochem, 1976, p. 52-53.

Bron: http://terruwe-baars-md.hyves.nl

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s