Bevestiging: erfdeel en opdracht. Anna Terruwe: bevinding en perspectief


Bespreking van H. Vekeman (2004), Bevestiging: erfdeel en opdracht. Anna Terruwe: bevinding en perspectief, Budel, Damon, 448 p., EUR 19,90.

door Ruud Abma


manon1.jpgAnna Terruwe (1911-2004) was een katholieke zenuwarts, die in de jaren vijftig bekendheid kreeg doordat haar het behandelen van priesters onmogelijk werd gemaakt – door gezagsdragers in de katholieke kerk, welteverstaan. In 1964 werd zij door Paulus VI gerehabiliteerd, waarna zij met haar ‘bevestigingsleer’ een inspiratiebron werd voor katholieken die in de maalstroom van het moderne leven poogden vast te houden aan een rooms uitgangspunt. Haar lezingen trokken volle zalen en bezorgden haar een schare toegewijde volgelingen, onder wie de redacteur van dit boek, Herman Vekeman. Je zou het kunnen zien als een liber amicorum: behalve een overzicht van haar loopbaan en publicaties bevat het beschouwingen over de toepasselijkheid van Terruwe’s gedachtegoed op terreinen als onderwijs en opvoeding, economie en bedrijfsleven, gezondheidszorg en (internationale) politiek.

Wat behelst haar visie?

In onze maatschappij wordt de menselijke waardigheid onvoldoende geëerbiedigd en beschermd, en er zijn te weinig aanknopingspunten en stimulansen voor persoonlijke menswording. Terruwe’s ideeën over ‘bevestiging’, ontwikkeld in haar psychiatrische praktijk, zouden zo’n aanknopingspunt wel bieden, ‘de bevestigende affectiviteit als zuurdesem van menswording’. Bevestigen is dan ‘iemand laten voelen dat hij geaccepteerd wordt zoals hij is’. ‘Het is de Nederlandse zenuwarts, mevrouw dr. Anna Terruwe geweest die, in de tweede helft van de 20ste eeuw, in haar praktijk deze bevestiging in haar therapeutische kracht heeft ontdekt en haar eminente waarde voor elk geslaagd mensenleven heeft herkend, ontsloten en toegankelijk gemaakt.’ (p. 10)

Terruwe meende dat het mogelijk was Freuds theorie over de neurose te verenigen met de ‘rationele psychologie’ van Thomas van Aquino. Haar proefschrift uit 1949, De neurose in het licht van de rationele psychologie, was een poging om een rooms-katholieke psychotherapie te ontwikkelen. Psychotherapie was in die tijd voor katholieken een verdachte praktijk. Freud had immers gesteld dat neurosen een seksuele oorsprong hadden. Daarom moest in de behandeling vrijmoedig over seksuele zaken gesproken kunnen worden, vond ook Terruwe.

Voor de Jezuïeten was dit onacceptabel: als er al over seks gesproken mocht worden, dan moest de katholieke leer het uitgangspunt vormen. Psychotherapeuten als Terruwe, die zich oriënteerden op Freud, en die meenden dat psychotherapie als medische aangelegenheid een zekere autonomie had ten opzichte van de kerk, werden nauwlettend in de gaten gehouden.

Tegelijkertijd waren katholieken gefascineerd door Freud. Al vóór de jaren twintig schreven ze over de psychoanalyse als een leer die weliswaar de vinger op de gevoelige plek legde – mislukte (seksuele) ontwikkeling – maar die daar totaal verkeerde remedies voor aandroeg (bijvoorbeeld ‘katharsis’ door vrije associatie). Ze plaatsten Freud dan meestal in één kamp met bewegingen die seksuele hervorming voorstonden (waar hij overigens niets van moest hebben). Katholieke psychiaters die zich niet wilden beperken tot de gestichtspsychiatrie, moesten laten zien dat de psychoanalyse, mits op de juiste wijze geïnterpreteerd, ook voor katholieken wel degelijk nut had. Er was zelfs een nieuwe markt voor katholieke psychotherapeuten ontstaan: mannelijke katholieke geestelijken die worstelden met hun celibaat. Soms werd zo iemand dan doorverwezen naar een ‘zenuwarts’, en Terruwe, die na de oorlog in Nijmegen een eigen praktijk had geopend, had de reputatie verworven dat ze wel raad wist met dit soort klachten.

Dit maakte haar verdacht. Er werd op ruime schaal gefantaseerd over wat zich in de praktijk van Terruwe zou afspelen. Naar aanleiding van dergelijke geruchten stuurde Rome een Jezuïet op pad om te onderzoeken of niet, onder het mom van therapie, de katholieke moraal werd geschonden. Als gevolg van deze visitatie werd (in 1956) een kerkelijke vermaning uitgevaardigd dat priesters niet in therapie mochten bij een vrouwelijke psychiater (Terruwe werd niet met name genoemd, maar zij was wel de enige vrouwelijke psychiater in RK Nederland.).

Dit alles past in een wat breder beeld van ‘onwennigheid’ bij de katholieke kerk als het ging om ‘moderne inzichten’. Men vreesde toch altijd dat met het introduceren van psychologische theorieën (psychiatrie, psychoanalyse en empirische psychologie werden daarbij meestal op één hoop gegooid) het beginsel van de ‘vrije wil’ zou worden aangetast en dat zondige handelingen zouden worden vergoelijkt als het gevolg van een ‘ziekte’. Er was, kortom, een spanningsverhouding tussen psychotherapie en moraaltheologie, die zich in de jaren vijftig ontlaadde boven het hoofd van Terruwe, en haar mentor, de Nijmeegse hoogleraar in de rechtswetenschap, pater Willem Duynstee.

Terruwe werd in zekere zin gestraft voor haar principiële houding: in plaats van met de mond de katholieke leer te belijden, en in de praktijk haar psychiatrische gang te gaan, poogde zij in haar proefschrift Freuds theorie zodanig aan te passen dat ze voor katholieken acceptabel zou kunnen zijn. Ze schrapte het Freudiaanse idee van neurose als gevolg van verdringing van affecten (door ‘censuur’ vanuit godsdienst of moraal), maar de associatie met de vrijzinnige psychoanalyse bleef haar negatief aankleven.

Frustratie, geen verdringing

Terruwe liet zich niet monddood maken. Haar proefschrift werd meerdere malen herdrukt (en zij voorzag het bij iedere herdruk van een nieuw weerwoord aan haar critici). In 1962 publiceerde zij De frustratieneurose, waarin zij Freud ten tweede male corrigeerde, nu door het introduceren van een nieuw type neurose. Deze frustratieneurose komt niet voort uit verdringing, maar uit een gebrek aan tederheid of ‘bevestiging’ door de ouders. Het gaat om patiënten die zijn blijven steken in het pre-oedipale stadium, en die onder intensieve therapeutische begeleiding de gestokte ontwikkelingsgang moeten afmaken. Terruwe en haar volgelingen doen het voorkomen alsof zij met dit idee van de ‘frustratieneurose’ iets unieks gecreëerd heeft, maar psychoanalytici en anderen hebben uitgebreid gepubliceerd over affectieve verwaarlozing en pre-oedipale stoornissen, zoals psychiater Marlet in zijn hoofdstuk in dit boek duidelijk laat zien (vgl. ook Dagboek van een schizofreen van Marie Sèchehaye uit 1950).

In haar theorie en praktijk was Terruwe dus eigenzinnig, en men vindt in haar werk nauwelijks verwijzingen naar andere auteurs. Het is alsof ‘de affaire’ en haar latere rehabilitatie haar neiging tot solipsisme hebben versterkt. Misschien heeft ze juist daarom vanaf de jaren zeventig zo’n aanhang verworven: een vrouw met een sterke, charismatische persoonlijkheid die na vergaande ‘miskenning’ het gelijk aan haar zijde kreeg, en bovendien haar psychiatrische visie uitbreidde tot een meerdere domeinen omspannende ‘positieve’ psychologie, dat spreekt wel aan. In haar lezingen ‘bevestigde’ ze haar toehoorders, maar ook laakte ze de euvelen van de moderne consumptiemaatschappij, de directe behoeftebevrediging en ten slotte het tegendeel van de bevestiging: de zelfbevestiging, dat wil zeggen de zelfgenoegzaamheid en arrogantie die zij op veel plaatsen waarnam (ook in de katholieke kerk).

Voor eigen parochie

Terruwe zelf constateert dat haar ‘methode van onderzoek’ goed was. Aanvankelijk was ze namelijk verbaasd als iemand genas, maar later werd ze steeds tevredener en was ze ‘tenslotte verbaasd als iemand niet genas’ (p. 44). En Vekeman (die maar liefst vier hoofdstukken voor zijn rekening neemt) merkt op dat de bevestigingsleer een menswetenschappelijk en therapeutisch model is ‘ten aanzien waarvan de psychiatrie, en elke vakgenoot in de psychiatrie, [.] duidelijk kleur moet bekennen’ (p. 14). Ik vrees dat dit een ijdele hoop zal zijn; de meesten zullen nog nooit hebben gehoord van Terruwe en haar bevestigingsleer.

Het interessantst vond ik de bijdrage van J. van Wieringen, eigenlijk de enige die poogt ‘het verschijnsel Terruwe’ in een theoretisch-historische context te plaatsen, en er daarbij blijk van geeft de relevante historische literatuur (Winkeler, Ter Meulen, Westhoff) goed te kennen. Terecht wijst hij erop dat doorgaans weinig aandacht wordt geschonken aan de Leidse katholieke psychiater E.A.D.E. Carp (promotor van Terruwe), al wordt uit zijn hoofdstuk duidelijk dat de Nijmeegse ontwikkelingspsycholoog Calon voor Terruwe belangrijker is geweest. Van Wieringen meent dat het tijd wordt voor een op stevig bronnenonderzoek gebaseerd proefschrift over Terruwe.

Vgl.: Recensie in het Maandblad Geestelijke volksgezondheid, 2005 (10), 1063-1066.

Bron: http://www.uu.nl  en: http://terruwe.clubs.nl


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s